Kijken we wel voldoende kritisch naar links?
Links heeft in Nederland een wonderlijk privilege verworven: het mag zichzelf voortdurend presenteren als de beschermer van de democratie, terwijl het zelden met dezelfde hardheid wordt bevraagd op de eigen radicale reflexen.
Wie rechts van het midden staat, kent het ritueel inmiddels. Eén kritische opmerking over migratie, klimaat, identiteitspolitiek of Brussel, en ergens in een televisiestudio schuift onmiddellijk het morele brandalarm aan. “Radicaal rechts.” “Extreemrechts.” “Gevaarlijk.” “Ondermijnend.” De etiketten liggen klaar als stickers in een schoolschrift.
Maar draai de blik eens om.
Kijken we eigenlijk wel voldoende kritisch naar links?
Niet naar het keurige foldertje. Niet naar de glimlachende campagnefoto’s. Niet naar de woorden “solidariteit”, “rechtvaardigheid” en “voor iedereen”. Maar naar de politieke cultuur die erachter schuilgaat. Naar de reflex om tegenstanders moreel te veroordelen. Naar de activistische erfenis. Naar de neiging om de samenleving niet te besturen, maar te heropvoeden.
GroenLinks en de PvdA staan op het punt definitief samen verder te gaan als Progressief Nederland, kortweg PRO. De naam klinkt alsof hij door een communicatiebureau is ontworpen tijdens een havercappuccino-overleg: modern, breed, positief, toekomstgericht. PRO. Vooruit. Progressief. Wie kan daar nu tegen zijn?
Maar achter die frisse naam verdwijnt ook iets. De oude PvdA, ooit een volkspartij van arbeiders, vakbonden, buurten, koopkracht en verheffing, wordt begraven in een nieuwe groen-progressieve formatie waarin de morele toon van GroenLinks steeds dominanter lijkt. De rode roos verdwijnt. Wat terugkomt, is een groene roos met een opgeheven vingertje.
PRO wil een brede volkspartij zijn. Maar een brede volkspartij begint met luisteren naar mensen die anders denken. Niet met hen wegzetten als gevaarlijk.
En precies daar schuurt het.
Want links neemt graag de maat. Vooral moreel. Wie pleit voor streng migratiebeleid, krijgt al snel te horen dat hij flirt met extremisme. Wie twijfelt aan onbetaalbaar klimaatbeleid, is onverantwoordelijk. Wie kritiek heeft op identiteitspolitiek, begrijpt de tijdgeest niet. Wie zorgen uit over islamisering, integratie of nationale soevereiniteit, wordt al gauw in een verdachte hoek geplaatst.
Dat is handig. Je hoeft dan niet meer inhoudelijk te winnen. Je verklaart de ander gewoon onfatsoenlijk.
Maar wie anderen zo makkelijk buiten de morele orde plaatst, moet bereid zijn de eigen kring minstens even streng te onderzoeken.
En daar wordt het stil.
Heel stil.
Neem de oude activistische garde. Bij rechts wordt iemands verleden tot op de millimeter doorgelicht. Een foto, een uitspraak, een oude bijeenkomst, een vage connectie: alles kan worden opgevoerd als bewijs van besmetting. Maar bij links geldt plotseling een merkwaardig mild regime. Dan heet het: mensen kunnen groeien. Context is belangrijk. De tijden waren anders. We moeten niet blijven hangen in het verleden.
Dat is prachtig ruimhartig.
Alleen jammer dat die ruimhartigheid zelden geldt voor politieke tegenstanders.
Paul Rosenmöller is een bekend voorbeeld van iemand met een verleden in radicale marxistisch-leninistische kring. Wijnand Duyvendak is opnieuw genoemd vanwege zijn rol als strategisch adviseur bij GroenLinks-PvdA en zijn omstreden activistische verleden. Natuurlijk mogen mensen veranderen. Natuurlijk is een verleden niet automatisch een levenslang vonnis. Maar een partij die anderen voortdurend waarschuwt voor radicalisering, moet zelf uitleggen waarom zulke figuren zonder veel publieke zelfreflectie opnieuw dicht bij de macht kunnen komen.
Waar is de scherpe vraag?
Waar is het talkshowpanel?
Waar is de verontwaardigde duider?
Waar is de bekende zin: “Wat zegt dit over de cultuur binnen deze partij?”
Die vragen worden bij rechts standaard gesteld. Bij links verdwijnen ze opvallend vaak in de mist van nuance.
Ook de nieuwe generatie maakt het er niet rustiger op. In Amsterdam klinkt bij PRO regelmatig een taal die meer weg heeft van activistische gebiedsmarkering dan van verbindend bestuur. “Amsterdam was links, is links en zal links blijven.” Dat is geen uitnodiging aan een stad van burgers. Dat is een claim. Alsof een hoofdstad bezit kan zijn van één ideologische familie.
Stel dat een rechtse politicus had geroepen: “Amsterdam was rechts, is rechts en zal rechts blijven.” De studio’s zouden vollopen. Er zouden analyses komen over uitsluiting, dreiging, polarisatie en democratische erosie. Maar wanneer links de stad als ideologisch eigendom bezingt, heet het enthousiasme.
Ook dat is dubbele moraal.
En dan de bekende activistische slogans. “Fuck capitalism.” “Eat the rich.” Het wordt bij links vaak gebracht als provocatie, als jeugdig vuur, als engagement. Een radicaal hart met een pragmatische inborst, klinkt het dan. Wat charmant. Wat menselijk. Wat bevlogen.
Maar probeer als rechtse politicus eens een vergelijkbaar harde slogan tegen een linkse heilige koe te gebruiken. Dan is het niet bevlogen. Dan is het gevaarlijk.
Dat is het probleem. Niet dat links fel is. Felheid hoort bij politiek. Niet dat links idealen heeft. Idealen zijn legitiem. Het probleem is dat links zichzelf toestaat wat het bij anderen onmiddellijk pathologiseert.
Rechtse boosheid is haat.
Linkse boosheid is betrokkenheid.
Rechtse hardheid is extremisme.
Linkse hardheid is urgentie.
Rechtse systeemkritiek is ondermijning.
Linkse systeemkritiek is vooruitgang.
Zo wordt het publieke debat geen gesprek meer, maar een toneelstuk waarin links de rechter speelt, rechts de verdachte is en de media vaak het decor bouwen.
Intussen zien we in steden als Amsterdam hoe activistische politiek de bestuurlijke agenda kan overnemen. Gemeenten die kampen met woningnood, onveiligheid, afvalproblemen, armoede, bereikbaarheid en falende handhaving, vinden toch tijd om zich op te werpen als mini-ministerie van Buitenlandse Zaken. Israël, Palestina, internationale boycots, morele verklaringen, symbolische resoluties: het stadhuis wordt een podium voor wereldpolitiek.
Natuurlijk mag menselijk leed benoemd worden. Natuurlijk mag een gemeenteraad betrokken zijn bij wat er in de wereld gebeurt. Maar er is een verschil tussen betrokkenheid en bestuurlijke vlucht. Een gemeente is geen VN-zaal met fietspaden. Een wethouder is geen minister van Buitenlandse Zaken met een stadspas.
Als Amsterdammers geen woning kunnen vinden, ondernemers verdwijnen, buurten verloederen en veiligheid onder druk staat, is het op zijn minst opmerkelijk dat de morele energie zo vaak richting het buitenland stroomt. Alsof het eenvoudiger is de wereld te redden dan de eigen straat schoon, veilig en bewoonbaar te houden.
Dat is de linkse verleiding: groot spreken over mensheid en rechtvaardigheid, terwijl de praktische werkelijkheid van de burger steeds vaker een bijlage wordt.
Daarom is de fusie van GroenLinks en PvdA meer dan een organisatorische kwestie. Het is een test. Wordt PRO werkelijk een brede volkspartij, of vooral een progressieve beweging die de samenleving langs een morele meetlat legt? Wordt het een partij die luistert naar gewone mensen, of een partij die gewone mensen uitlegt waarom hun zorgen eigenlijk verkeerd geformuleerd zijn?
De oude PvdA kende, op haar beste momenten, nog een nuchtere arbeidersziel. Niet perfect, maar geworteld. Zij wist dat politiek niet alleen draait om idealen, maar ook om huur, loon, veiligheid, zorg, school, buurt en zekerheid. GroenLinks bracht daar een ander register in: klimaatmoraal, identiteit, activisme, internationalisme, culturele heropvoeding.
De vraag is welke ziel straks wint.
Als PRO werkelijk volwassen wil worden, moet het ophouden met het gemak waarmee het anderen radicaliseert en zichzelf vrijpleit. Dan moet het erkennen dat radicalisme niet alleen rechts kan zijn. Dat morele arrogantie ook progressief kan ruiken. Dat activisme niet automatisch deugdzaam is omdat het uit de juiste hoek komt. En dat democratie niet betekent dat je tegenstanders eerst verdacht maakt voordat je met hen in debat gaat.
Nederland heeft geen behoefte aan een nieuwe partij die zichzelf beschouwt als moreel keurkorps.
Nederland heeft behoefte aan partijen die zichzelf net zo kritisch durven bekijken als hun tegenstanders.
Dus ja: laten we kritisch blijven op rechts.
Maar laten we eindelijk eens ophouden met doen alsof links per definitie het geweten van het land is.
Soms is links niet het geweten.
Soms is links gewoon macht.
Met een vriendelijk gezicht.
En een heel grote meetlat voor anderen.