Waarde volgers, alvast een inkijkje over de meestermanipulator van de asielindustrie Jan Nico Scholten. Hij wist waar Abraham de mosterd haalde voor de asielindustrie. Helaas is hij recentelijk overleden.
Een politieke solidariteitsreisje plus bonus: 150.000 vluchtelingen
Terwijl Nederland in de vroege jaren zeventig nog deed alsof het een nuchter land was, speelden een aantal ambitieuze politici avonturier in de jungle, op kosten van de belastingbetaler en met een air van morele superioriteit.
Door hun enthousiaste bemoeienis met de “dekoloniale strijd” elders in de wereld, haalden Nederlandse activisten en parlementariërs nieuwe groepen vluchtelingen naar Nederland: Portugese dienstweigeraars die niet wilden vechten in Afrikaanse koloniale oorlogen, en deserteurs uit de VS. Solidariteit was hip.
Het absolute hoogtepunt van deze romantische revolutie-toerisme vond plaats in oktober 1973. Kamerleden Jan Nico Scholten (toen nog ARP, later handig overstappend naar CDA en PvdA) en Relus ter Beek (PvdA) reisden in het geheim mee met de marxistische bevrijdingsbeweging PAIGC in Guinee-Bissau. Ze peddelden per kano door de bush, lagen onder vuur van het Portugese leger en overleefden hachelijke momenten in een loopgraaf tijdens een bombardement. Scholten werd zelfs gedecoreerd door de PAIGC – een medaille voor moed in dienst van de goede zaak.
Terwijl zij met glimmende ogen terugkeerden naar Den Haag om te vertellen over hun avontuur, ontvouwde zich in Guinee-Bissau een van de grootste vluchtelingencrises van die jaren. Na de onafhankelijkheid in 1974 werd het aantal vluchtelingen en ontheemden geschat op circa 150.000. Alleen al in Senegal zaten er 90.000 Guinezen. Duizenden keerden in 1975 terug – alleen in de regio Gabu al zo’n 30.000 – zonder zaaigoed, zonder voldoende onderdak en zonder infrastructuur. De “ideologische oogst” van de bevrijdingsstrijd was massaal, zichtbaar en ongemakkelijk.
Terug in Den Haag, Scholten en Ter Beek. Hun overtuiging was helder: de onafhankelijkheidsstrijd was heilig, kolonialisme was het kwaad, en Nederland moest natuurlijk solidair zijn. Later zouden ze dezelfde energie inzetten tegen apartheid in Zuid-Afrika. Altijd de juiste vijand, altijd de juiste foto.
En toen, logisch vervolg in dit wereldje: rond 1982 nestelde Jaap Hoeksma zich als vicevoorzitter bij VluchtelingenWerk Nederland, terwijl hij tegelijkertijd bij de UNHCR in Nederland werkte (1976-1990). Die dubbele pet was goud waard voor de doorstroming van invloed, informatie en subsidies. Na de turbulente start en de forse botsing met het ministerie van WVC over de Vietnamese bootvluchtelingen zocht de organisatie een “professionele bestuurder”. Hoeksma zorgde ervoor dat Jan Nico Scholten in 1983 voorzitter werd.
Scholten, de man die ooit per kano met guerrillastrijders door de jungle was getrokken en die de massale vluchtelingenstromen uit eigen ervaring kende, was de perfecte keuze. Hij zou die functie vijftien jaar blijven vervullen (1983-1998), naast zijn presidentschap van AWEPAA en als voorzitter van de Nederlandse Vluchtelingen Raad – de club die VluchtelingenWerk Nederland in de praktijk aanstuurde. Tot hij in september/oktober 1998 comfortabel doorschoof naar de Eerste Kamer voor de PvdA.
Zo ging het: eerst heldhaftig meereizen met guerrillastrijders in de jungle, de vluchtelingencrisis uit eerste hand meemaken, en daarna via een handige UNHCR-VluchtelingenWerk-carrousel de organisatie leiden die ervoor zorgde dat de ideologische oogst van die strijd – in de vorm van asielzoekers, subsidies en invloed – keurig werd geïnstitutionaliseerd in Nederland. Van romantische bush-reiziger naar captain of industry in de asielmachine.
De cirkel was rond. De idealen uit de jungle waren veilig geland in Den Haag, met vast contract, goed salaris en een levenslange morele creditcard.
Foto: 16 mei 1974 Conferentie over Guinee Bissau in gebouw Tweede Kamer Relus ter Beek en Jan Nico Scholten in gesprek met PAIGC vertegenwoordiger