Een ochtendcolumn
Tijd voor een parlementair onderzoek naar de woningmarkt
D66 won verkiezingen met een belofte van tien nieuwe steden. Het land zou gebouwd worden. Nu staat er een minister die in The Guardian uitlegt dat Nederlanders misschien met een muntje moeten leren douchen. Van bouwen naar berusting in schaarste, in één politieke beweging.
Het is pijnlijk om te zien dat er een product bestaat waar mensen voor in de rij staan, waar geld geen probleem is en zelfs subsidie beschikbaar is, en dat het toch niet geleverd wordt. Niet door gebrek aan vraag, niet door gebrek aan kapitaal, maar door een overheid die het dossier keer op keer in handen legt van passanten die meer schade aanrichten dan vooruitgang boeken. Na De Jonge, die de huurmarkt vakkundig sloopte, volgt nu een minister die in een Engelse krant doceert over schaarste als levenshouding.
De woningbouw is geen markt meer, maar een bestuurlijk moeras waarin alles wordt gereguleerd behalve het bouwen zelf. Vraag en geld zijn er ruimschoots maar verdwijnen in regels, procedures en electorale ambities die elkaar in de weg zitten. Wachttijden voor huurwoningen lopen op tot wel twintig jaar hoe bestaat het dat we dat normaal willen vinden.
We blijven de uitvoering van een van de meest essentiële publieke opgaven toevertrouwen aan een stoet van tijdelijke incompetente bestuurders die komen en gaan, plannen lanceren en verdwijnen, zonder dat de uitkomst verandert.
De vraag dringt zich op of het niet tijd is voor een parlementair onderzoek. Niet naar incidenten, maar naar het systeem zelf. Naar hoe een overheid die zegt te bouwen, er keer op keer in slaagt om het tegenovergestelde te organiseren. En naar de vraag of de verantwoordelijkheid voor wonen nog wel kan worden overgelaten aan dit soort politieke passanten.