De Grote Reis naar Den Haag
Het was nog donker toen Pieter opstond.
Vandaag was geen gewone dag.
Vandaag zou hij met de trein van Goirle naar Den Haag reizen om met een stuk wit stoepkrijt een boodschap op de stoep te schrijven.
Niet zomaar een boodschap.
Een boodschap waarvan hij zelf al min of meer overtuigd was dat toekomstige historici er ooit een hoofdstuk aan zouden wijden.
Voor vertrek controleerde hij zijn uitrusting.
Portemonnee.
OV-chipkaart.
Telefoon.
Krijtje.
Voor de zekerheid controleerde hij het krijtje nog een tweede keer.
En een derde.
Op station Tilburg controleerde hij het opnieuw.
Zijn vriendin, die van hem de eervolle taak had gekregen de gebeurtenis te documenteren, keek hem zwijgend aan.
“Film straks alles,” zei Pieter.
“Dat doe ik.”
“Ook de aankomst.”
“Ja.”
“En mijn eerste stappen.”
“Ja.”
“En als ik begin te schrijven.”
“Ook dat.”
“En als mensen kijken.”
“Als mensen kijken, film ik dat ook.”
De trein reed richting Den Haag.
Onderweg controleerde Pieter nog zeven keer of het krijtje er nog was.
Bij Rotterdam Centraal kreeg hij even een paniekaanval omdat hij het niet direct voelde zitten.
Na twintig seconden zoeken bleek het gewoon in dezelfde binnenzak te zitten als de vorige zes controles.
Een enorme opluchting.
Toen ze eindelijk in Den Haag arriveerden, liepen ze vastberaden naar het gebouw.
Pieter keek om zich heen.
“Film je?”
“Ja.”
“Goed.”
“Ik film.”
“Dit is belangrijk.”
“Dat begrijp ik.”
Met de ernst van een chirurg die een harttransplantatie uitvoert, haalde hij het krijtje tevoorschijn.
Zijn vriendin zoomde in.
Pieter hurkte neer.
Langzaam verscheen de boodschap op de stoep.
Daarna stond hij op.
Liep drie stappen achteruit.
Keek naar zijn werk.
Keek nog eens.
En nog eens.
“Best krachtig,” zei hij.
“Zeker.”
“Eigenlijk best moedig.”
“Absoluut.”
“Niet veel mensen zouden dit doen.”
Zijn vriendin keek naar de krijtletters, een passerende postbezorger die geen enkele belangstelling toonde en een man die zijn hond uitliet.
“Nee,” zei ze. “Niet veel mensen.”
Op dat moment verscheen een politieagent.
Pieter voelde onmiddellijk dat dit een cruciaal moment in de geschiedenis was.
De agent keek naar de stoep.
Keek naar Pieter.
Keek naar de telefoon waarmee gefilmd werd.
Keek nog eens naar de stoep.
“Goedemiddag.”
“Goedemiddag agent.”
“Wat zijn jullie aan het doen?”
“Een vreedzame actie.”
De agent knikte.
“Met stoepkrijt?”
“Ja.”
De agent keek nogmaals.
“Prima.”
En hij liep verder.
Pieter keek zijn vriendin triomfantelijk aan.
“Heb je dat gefilmd?”
“Ja.”
“Alles?”
“Alles.”
“Ook dat de politie kwam?”
“Ook dat.”
Pieter knikte tevreden.
Voor het eerst die dag leek hij werkelijk gelukkig.
Niet vanwege de boodschap.
Niet vanwege de actie.
Maar omdat er nu eindelijk een politieagent in de video voorkwam.
Dat gaf het geheel toch iets meer revolutionaire uitstraling.
Op de terugweg naar Goirle bekeek hij de beelden minstens twaalf keer.
Bij elk fragment waarin de agent zichtbaar was, glimlachte hij tevreden.
En ongeveer ter hoogte van Dordrecht controleerde hij nog één keer of hij zijn krijtje nog had.
Je wist immers nooit wanneer de democratie opnieuw gered moest worden.