Thierry Baudet is niet naïef. Dat is precies het probleem.
In het fragment bij Jensen vertelt Baudet over zijn ontmoetingen met Peter Thiel in Fiesole, net buiten Florence. Een gehuurd château, eten, drinken, uitzicht over de stad, gesprekken met een van de machtigste tech-miljardairs ter wereld. Op papier klinkt dat als een exclusief inkijkje achter de schermen van de mondiale elite. Maar als je goed luistert naar hoe Baudet het vertelt, zie je iets veel kwalijkers: hij maakt de macht kleiner dan zij is.
Baudet beschrijft Thiel als een aardige, gewone, bijna passieve man. Iemand die volgens hem vastzit in clichés, mainstream denkbeelden en culturele luiheid. En dan komt de anekdote waarin Baudet zegt dat hij geïrriteerd raakte en tegen Thiel zei: richt een universiteit op, begin een medium, start een platform, ga nou eens wat dóén.
Dat klinkt grappig. Baudet als rebelse denker die zelfs miljardairs aanspoort tot actie. Maar zodra je er langer dan twee seconden over nadenkt, valt het hele frame uit elkaar.
Peter Thiel hoeft niet “wat te gaan doen”. Die man hééft al wat gedaan.
Palantir is geen hobbyproject en Thiel is geen rijke dromer aan de zijlijn. Palantir staat precies in die wereld van data, defensie, intelligence, surveillance, risicoprofielen, migratiecontrole, politie, AI en staatsmacht. Dat is geen periferie van het systeem. Dat is de machinekamer. Als je werkelijk anti-technocratie bent, dan maak je van Thiel geen anekdotische borrelgast. Dan fileer je hem als toegangspoort tot de digitale controlestaat.
En dat doet Baudet niet.
Hij maakt er Florence van. Een wijntje. Een gesprek. Een aardige vent. Een miljardair die eigenlijk ook maar wat volgzaam is en misschien een zetje nodig heeft van Thierry. Dat is geen scherpe analyse. Dat is geraffineerde verdoving.
Want door Thiel neer te zetten als passief, clichégevoelig en bijna naïef, verschuift Baudet de aandacht van infrastructuur naar karakter. Van Palantir naar persoonlijkheid. Van digitale macht naar een gezellige ontmoeting. De kijker krijgt het comfortabele gevoel dat de elite eigenlijk minder geraffineerd is dan gedacht. Gewone mensen met veel geld. Een beetje wereldvreemd. Een beetje beïnvloed door kranten. Eigenlijk niet eens zo gevaarlijk.
Dat is precies het bedrog.
Baudet verkoopt nabijheid tot de elite als ontmaskering van de elite. Zijn achterban denkt: Thierry is daar geweest, Thierry kent die mensen, Thierry ziet door hen heen, Thierry zegt hun de waarheid. Maar wat hij werkelijk doet, is de architectuur van macht menselijker en onschuldiger maken. Hij haalt de angel eruit. Hij maakt de mensen die bouwen aan de controlemaatschappij verteerbaar voor een publiek dat juist zou moeten begrijpen hoe gevaarlijk die laag is.
Let ook op Jensen in dat fragment. Jensen prikt scherper door de façade heen wanneer hij zegt dat dit soort miljardairs niet werkelijk buiten AI, surveillance en digitale macht staan terwijl ze zogenaamd bezorgd doen. Ze zitten er zelf vuistdiep in. Ze verdienen eraan. Ze bouwen eraan. Ze bewegen erin. Dát is de juiste ingang. Maar Baudet trekt het daarna weer terug naar de anekdote: Thiel als aardige man, Thiel als passief, Thiel als iemand die “iets moet gaan doen”.
Daar zit de functie van Baudets gespeelde naïviteit.
Hij benoemt net genoeg om zijn achterban het gevoel te geven dat ze wakker zijn, maar verzacht precies op het moment dat het echt gevaarlijk wordt. Hij laat zien dat hij de elite kent, maar gebruikt die nabijheid niet om de structuur te slopen. Hij gebruikt haar om de structuur kleiner te maken. Minder koud. Minder georganiseerd. Minder doelgericht.
Dat is waarom Baudet zo bedrieglijk is. Niet omdat hij dom is, maar omdat hij slim genoeg is om naïef te spelen. Een naïeve politicus begrijpt niet wat hij ziet. Een bedrieglijke politicus begrijpt het wel, maar vertelt zijn achterban een verhaal waardoor zij het minder scherp gaan zien.
FVD doet dit vaker. Aan de voorkant grote woorden over globalisme, technocratie, soevereiniteit en beschaving. Maar zodra het concreet wordt, Palantir, Israël, Thiel, tech-defense, hasbara-circuits, digitale identiteit, financiële controle, surveillance, wordt het ineens cultureel, filosofisch, anekdotisch of persoonlijk. Dan gaat het niet meer over macht als infrastructuur, maar over gesprekken, boeken, diners, salons en misverstanden.
Dat is geen revolte. Dat is esthetische oppositie.
De achterban krijgt stijl, geen breuk. Grote woorden, geen macht. Podcasts, ledengroei, infographics, boekpresentaties, Kamerdebatten, Florence-anekdotes. Het voelt als verzet, maar functioneert als absorptie. Legitieme onvrede wordt opgevangen, verpakt, verhandeld en teruggebracht tot consumeerbare politiek.
En precies daarom is dit fragment zo onthullend.
Baudet zit met een man uit de kern van de surveillance-elite en komt terug met het verhaal dat hij hem heeft aangespoord om “iets te doen”. Terwijl die elite allang iets doet. Terwijl de technische, juridische, financiële en digitale infrastructuur van de openluchtgevangenis gewoon verder wordt opgebouwd. Terwijl gewone burgers steeds verder worden gereduceerd tot data, profiel, risico, QR, identiteit, toestemming en gedrag.
Baudet doet alsof hij de macht niet begrijpt, zodat zijn achterban blijft geloven dat de macht minder geraffineerd is dan zij werkelijk is.
Dat is gecontroleerde oppositie in haar meest verfijnde vorm: mensen half wakker maken en ze daarna in een nieuwe fuik zetten. Ze mogen de leugen van de mainstream doorzien, zolang ze daarna Baudets theater consumeren. Ze mogen boos worden op globalisme, zolang ze blijven geloven dat parlementaire speeches, filosofische diners en keurige partijstructuren de machine gaan breken.
Dat gaan ze niet.
Peter Thiel is niet iemand die “nog wat moet gaan doen”. Peter Thiel is onderdeel van wat er al gedaan wordt.
Baudet weet dat.
Maar hij vertelt u Florence.
Bekijk vanaf 00:52 tot ongeveer 05:00. Het punt zit niet in één losse quote, maar in het patroon: Baudet maakt Peter Thiel kleiner, menselijker en onschuldiger dan hij werkelijk is.
youtu.be/chHyFIFV_EI?si=TXx1…