"TNO schrijft immers hierover (TNO, 2024) “Ten aanzien van de voorspelfout vindt TNO voor een specifiek veldexperiment (Falster, 2006) dat de standaardfout van de NH3 concentratie 0,03 µg/m3 is. Door uit te gaan van een jaargemiddelde depositiesnelheid van 1 cm/s is de standaardfout te vertalen naar depositie van 6 mol/ha/jaar” en “De correcties zijn niet gecorreleerd aan het concentratieniveau zelf en tonen systematische afwijkingen van 100-200 mol per jaar (ongeveer 10% van de totale depositie)”. Dit laatste kan ook als een vriendelijke maar wel erg conservatieve uitspraak gezien worden; de werkelijke systematische standaarddeviaties zijn immers eerder in orde grootte van 320 – 350 mol blijkt uit dit hoofdstuk. RIVM rapporteert overigens zelf hierover: “Voor de totale stikstofdepositie, zijnde de som van natte en droge depositie van alle stikstofcomponenten, bedraagt de onzekerheidsmarge 60–70%.”. Bij een gemiddelde depositie van 1390 mol per hectare per jaar betekent dit een onzekerheidsmarge van 834 tot 973 mol.
Uit praktijk metingen voor de droge ammoniak depositie (COTAG) blijkt dat een meetonzekerheid 140 tot 400 mol wordt geconstateerd. Uit hoofdstuk zes: Voor de Vechtplassen wordt een onzekerheid van circa 3–4 kg N ha⁻¹ jr⁻¹ gerapporteerd, oftewel ongeveer 50%, terwijl voor de Veluwe een onzekerheid van circa 5 kg N ha⁻¹ jr⁻¹ wordt genoemd, overeenkomend met ongeveer 62%. Omgerekend naar mol stikstof per hectare per jaar betreft dit respectievelijk circa 140–210 mol N ha⁻¹ jr⁻¹ voor Baggerveen, 210–290 mol N ha⁻¹ jr⁻¹ voor de Vechtplassen en ongeveer 300–400 mol N ha⁻¹ jr⁻¹ voor de Veluwe."