Publieke controle op EU‑wetgeving is onmogelijk zolang de geld‑ en invloedsketen achter “desinformatie‑experts” grotendeels buiten beeld blijft. Nieuwe documenten over EU DisinfoLab maken die keten concreter en laten zien hoe donor‑geld, NGO‑rapporten en Brusselse commissies samen de risicotaal van de Digital Services Act (DSA) vormen.
1. Geld: OSF, Luminate en EU‑subsidies
Uit recente grant‑overzichten blijkt dat EU DisinfoLab structureel wordt gefinancierd door zowel grote filantropen als door de EU zelf.
Open Society Foundations verstrekt meerjarige “general support”‑subsidies aan EU DisinfoLab, oplopend tot enkele tonnen per jaar; dit is geen projectgeld, maar vrije kernfinanciering.
Luminate registreert een aparte grant voor de jaarlijkse DisinfoLab‑conferentie, expliciet bedoeld om internationale “anti‑desinformatie‑actoren” te verbinden en agenda’s te zetten.
Parallel daaraan ontvangt EU DisinfoLab EU‑onderzoeksgelden via het Horizon‑Europe‑project
veraai.eu, waar miljoenen in gaan zitten om AI‑gestuurde verificatie‑ en risicotools tegen desinformatie te bouwen.
2. INGE: formele brug tussen NGO en beleid
De Bijzondere Commissie buitenlandse inmenging (INGE) fungeert als officiële scharnier tussen NGO‑onderzoek en politieke aanbevelingen.
INGE organiseerde in anderhalf jaar meer dan vijftig hoorzittingen met circa 130 “experts” uit NGO’s, denktanks en academie, waarvan meerdere actief zijn in het desinformatie‑veld.
In EP‑nieuwsbrieven en onderzoeksnota’s wordt duidelijk dat de commissie FIMI en desinformatie koppelt aan voorstellen voor scherpere regels voor online platforms – niet als los debat, maar als input voor concrete reguleringstrajecten, waar de DSA vervolgens in past.
Daarmee wordt de casuïstiek van organisaties als EU DisinfoLab niet alleen “gehoord”, maar ingebouwd in de officiële risicokaders waarmee de EU haar eigen wetgeving legitimeert.
3. DSA‑risico’s: wie schrijft de definitie?
De DSA verplicht grote platforms om “systemische risico’s” te identificeren en te beperken, waaronder de verspreiding van desinformatie en de impact op mediapluralisme en verkiezingen.
Beleidsanalyses laten zien dat de verordening zelf de term “desinformatie” bewust vaag houdt: het gaat vaak om legale inhoud, maar wel met politieke impact, waardoor de feitelijke invulling doorschuift naar “experts” en uitvoeringspraktijk.
EU‑gefinancierde projecten als
veraai.eu produceren “policy relevant evidence” over hoe die risico’s moeten worden gemeten en gemitigeerd, en pleiten voor meer toegang tot platformdata voor “public‑interest actors”.
EU DisinfoLab gaat nog een stap verder en stelt in een eigen DSA‑position paper dat diensten “at systemic risk of hosting or amplifying disinformation” moeten worden geïdentificeerd “in consultation with civil society disinformation experts” – een categorie waar het zichzelf expliciet toe rekent.
Daarmee verandert “expertstatus” in directe invloed op de vraag wát als risico geldt en wáár platforms juridisch moeten ingrijpen.
4. Keten in één oogopslag
Leg je deze onderdelen op elkaar, dan ontstaat een compacte maar scherpe keten van donor tot burger:
Donor: OSF en Luminate financieren de organisatie en haar netwerk, inclusief conferenties waar Europarlementariërs en rapporteurs hun concept‑rapporten presenteren.
NGO / policy entrepreneur: EU DisinfoLab produceert rapporten zoals “Indian Chronicles” en bouwt AI‑gestuurde detectie‑tools binnen EU‑projecten.
Commissie / Parlement: INGE en verwante EP‑processen vertalen deze casuïstiek en expertise in aanbevelingen voor hardere aanpak van FIMI en online desinformatie.
Wetgeving: de DSA verankert een risicoregime dat platforms verplicht tot mitigatie van “systemische risico’s”, waarbij NGO‑experts meeschrijven aan de definities en meetmethodes.
Publiek: burgers horen via nieuws over “grootste desinformatie‑netwerken” en “bescherming van de democratie”, maar zien zelden de onderliggende financierings‑ en adviesstructuren die die vertelling mogelijk maken.
Deze structuur bewijst niet dat één NGO de DSA “gemaakt” heeft, maar wel dat een klein, gefinancierd netwerk van niet‑gekozen actoren een disproportioneel grote rol speelt in de vraag wat als “risico” en “desinformatie” wordt gedefinieerd – en daarmee indirect in wat online zichtbaar mag blijven.
BRONNEN
Primair
cordis.europa.eu/project/id/…
veraai.eu/project-summary
disinfo.eu/wp-content/upload…
liber-net.org/wp-content/upl…
luminategroup.com/investment…
europarl.europa.eu/EPRS/TD_I…
Secundair / analyses
cmpf.eui.eu/risk-in-the-digi…
disinfo.eu/advocacy/how-the-…]
veraai.eu/posts/mitigation-o…
veraai.eu/posts/veraai-polic…
europeansources.info/record/…
aljazeera.com/news/2020/12/1…
digital-strategy.ec.europa.e…